Preek van de week

Audiëntie

Ten tijde van het ijzeren gordijn was ik zeer benieuwd naar wat zich daarachter afspeelde. Dus, een reis naar Hongarije. Mooie mensen, aanvankelijk afwachtend, maar was je eenmaal binnen de kring: warm, hartelijk en nieuwsgierig.

Szeged, een industriestad, onder andere textiel, waar zilveren pijpen over de weg, de huizen, het ene fabrieksgebouw met het andere verbonden. Batadorp op zijn Hongaars. Op een nacht bij een rijtjeshuis, onder die pijpen, een open deur, en tafels en stoelen, dus een drankje bij een illegaal café. En daar een zeer aanwezige man, middelbare leeftijd, morsig pak, lang haar, ongeschoren, die met veel bravoure zich van tafeltje naar tafeltje verplaatste. Geanimeerd in gesprek ging met de aanzitters. Ook wij bleven niet onopgemerkt.

Nee, hij was niet dronken. Hij was uitbundig. In woord en gebaar. Illegaal de grens overgestoken, Hongaar van oorsprong, dichter van beroep, wonend in Canada want niet gewenst door het Hongaars regime. En wij per ongeluk op zijn feestje. We hebben lang, intensief gepraat. Hij drukte ons op het hart te gaan trouwen, níet ongetrouwd samenwonen namelijk. Daar wij beiden zonder vader waren sprak hij zijn zegen uit, zijn vaderlijke zegen, voor een voorspoedig leven samen.

Op zeker moment ging de fabrieksfluit, en mannen en vrouwen stroomden de fabriekspoort uit, in blauwe werkkleding, en al snel werd ons tafeltje omringd door enthousiaste mensen, lachend, handen schuddend, omhelzend. Onze audiëntie was voorbij. Rond zes uur in de ochtend. Soms maken we wel eens glimpjes van onze lieve Heer mee. Ben ik van overtuigd. Ergens heb ik nog zijn visitekaartje.